Streven naar financiële onafhankelijkheid is net topsport

Gisteravond zat ik een beetje te zappen en bleef ik (M) hangen bij een aantal zwemmende mensen. Toen ik even bleef kijken bleek het hier te gaan om een documentaire over een aantal Nederlandse Olympische zwemmers. Ik was gelijk helemaal geïnteresseerd en drukte op de knop “kijken vanaf het begin”.

In de documentaire werden vijf zwemmers, 3 dames en 2 heren, gevolgd in hun voorbereidingen op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Die Spelen waren, volgens de media, grotendeels mislukt omdat er in het zwembad geen medailles gewonnen werden. Die werden in het buitenwater wel gewonnen, twee keer goud, maar in de media telt dat toch minder.

Waarom bleef ik daar nu zo hangen? Dat heeft te maken met mijn sportverleden. Ik weet niet meer zeker of ik er al wel eens over geblogd heb, maar ik heb zelf “in mijn jeugd” ook op redelijk niveau aan wedstrijdzwemmen gedaan. Op een gegeven moment zwom ik met ons team in de Eredivisie en bereikte individueel de top 10 van Nederland op mijn specialismen.
Op het toppunt, in mijn examenjaar van de middelbare school, trainde ik zo’n 15 uur per week. Toen ik ging studeren werd dat een stuk minder.

Ik kan dus redelijk inschatten hoe zwaar trainingen kunnen zijn en wat je af en toe vooral moet laten om tot optimale prestaties te komen. Ook herkende ik in de documentaire een aantal processen die ik zelf ook heb meegemaakt.

Het meest schrijnende vond ik het verhaal van Femke Heemskerk. Een zwemster die vaak “net niet” was op de grote toernooien, maar dat eigenlijk een jaar voor de Spelen eindelijk achter zich leek te laten. Doordat haar coach zich helemaal ging richten op het open water zwemmen, veranderde zij een jaar voor de Spelen min of meer gedwongen van trainer. Ze veranderde niet alleen trainer, maar ook van soort trainer, van trainingsfilosofie en ook van land.

Dat zijn heel veel veranderingen relatief kort voor de Olympische Spelen. Achteraf pakte het ook desastreus voor haar uit. Uit eigen ervaring weet ik dat een overstap naar een zwaarder trainingsregime, toen ik van het lokale clubje waar ik ooit begonnen ben naar de Eredivisieclub ging, heb ik ook een jaar nodig gehad om daaraan te wennen. In wedstrijden ging ik daarom een jaar niet vooruit, terwijl ik in de trainingen veel meer aankon. Dat betaalde zich pas in de jaren erna uit.
Een jaar voor de Spelen overstappen was dus best wel een risico in mijn ogen.

Dat zie je ook terug in de documentaire. Langzaam maar zeker zie je Femke steeds vermoeider raken, ook zie je haar zwemtechniek achteruitgaan. Ze zwom kilometer na kilometer, trainde zich fysiek sterk in het krachthonk. Maar ze ging er dus niet beter van zwemmen en je voelt, ook als je de uitslagen nog niet kent aankomen dat het niet goed gaat komen in Rio. En dat was dus ook zo…

De laatste tijd denk ik wel vaker terug aan de periode dat ik op de toppen van mijn kunnen zwom. Dat heeft ermee te maken dat, in mijn ogen, het streven naar financiële vrijheid (of consuminderen), heel veel overeenkomsten heeft met het bedrijven van topsport. Je hebt namelijk een doel voor ogen, en om dat doel te bereiken doe je dingen juist wel, maar vaak juist dingen ook niet. En hoe je daarmee om kunt gaan maakt heel veel uit of je je doel zult bereiken. En zonder steun van je omgeving wordt het ook lasting.

Toen ik zwom lag ik dus uren en uren per week in het water, maar dat niet alleen. De club was ook nog eens gevestigd in een dorp 20 kilometer verderop, waardoor mijn ouder mij (en mijn broertje) elke training moesten brengen. Soms zelfs 2x per dag. Waar klasgenoten ’s avonds lekker lang tv keken lag ik vroeg op bed omdat ik voor school eerst anderhalf uur trainde.
Maar in de weekenden ging ik dus vaak niet mee stappen. En ondanks dat ik daar best wel eens opmerkingen over kreeg, deed me dat niets, ik had namelijk een doel voor ogen; kijken hoe ver ik kon komen.

Met het streven naar financiële vrijheid is het vaak niet veel anders. Als ik wel eens roep dat we snel ons huis willen afbetalen om dan minimaal te kunnen gaan werken, of misschien uiteindelijk wel helemaal te kunnen stoppen, wordt ik vaak wat meewarig aangekeken. Wie heeft er niet eens gehoord: “ja maar dat kan toch helemaal niet?”
En: “waarom gaan jullie kamperen?” jullie kunnen toch ook makkelijk naar een hotel/resort/huisje? “Waarom hebben jullie niet een groter huis gekocht?” Ook daarbij heb ik zoiets van, wij hebben een doel voor ogen, dus wat een ander zegt maakt niet (veel) uit.

En we laten er dus ook zaken voor. We gaan dus niet op die dure vliegvakantie, ook omdat we kamperen gewoon geweldig vinden en we kopen geen nieuwe auto, maar tweedehands. En we kopen ook geen tweede auto, want dat is een luxe die we niet nodig hebben. Maar we hebben niet het gevoel dat we ook maar iets te kort komen. Net als toen ik nog zwom.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *